Ergens, diep in mijn onderbewustzijn hoor ik voetstappen in gangen. Deuren van sloten gehaald worden. Stemmen dichterbij komen. Het galmt door mijn hoofd. Ik ontwaak pas echt als ik de sleutels aan mijn celdeur hoor en hoe het slot opgedraaid wordt. De zware deur zwaait open.

“Meneer, de directeur is er.”
Even waan ik mij in de Ridderzaal. “De Koning!”

Dan ga ik moeizaam rechtop zitten. Ik knipper tegen het licht dat de isoleercel invalt. Een man van middelbare leeftijd, met opgepoetste schoenen en een sjaaltje om de hals komt mijn cel binnen. Hij blijft op een meter afstand van mijn matras staan en ik kijk schichtig omhoog.

“Zo mijnheer, het gaat niet zo goed met u?”
Feit.
“Hoe lang moet u blijven?”
“Drie weken”, zeg ik, en het valt direct als een baksteen op mijn maag.
“Oh, dus dat is te overzien.”

Te overzien? Wat is te overzien? Ik kan het komende etmaal niet eens overzien, hoe dan drie weken in deze verschrikkelijke gevangenis? Laat staan mijn gehele leven.
Ik walg van de man, die ongevraagd komt vertellen dat het allemaal wel meevalt. Ik wens hem naar huis. Terug naar zijn vrouw, waar hij vast en zeker onder het avondeten gebeld is te komen, omdat er weer iemand in de isoleercel  is gezet.

Mompel dat ik weer ga slapen en duik onder mijn deken. Ik hoor hem weglopen, de deur weer dichtslaan en voetstappen wegsterven in de gang.

Ik denk na over de gebeurtenissen van vandaag. Nog voordat ik vanmorgen op kon staan, gaat om half acht de deurbel. Vier agenten, drie jonge exemplaren van in de twintig en één ervaren oudere bromsnor komen mijn huis binnen.
“U weet waarvoor we komen?”, valt één met kekke bril en kapsel in moderne wetlook met de deur in huis. Hij heeft voor deze klus overduidelijk de leiding.
Ik kijk hem verdwaasd aan.
“U heeft boetes openstaan. Die moet u nu betalen, of u moet met ons mee.”

Het bedrag blijkt veel groter te zijn dan ik nu kan betalen. Ook al wil ik het wel, ik kan het niet. Door financiële omstandigheden zijn ze ook nooit betaald. Koude verdubbelingen van de geldbedragen maakt het geheel in de huidige omstandigheden inmiddels helemaal onoverkomelijk. Crisis.

“Dan bent u aangehouden.” Hij oogt zelfs opgewekt.

Ik loop mee, zonder mijn gezin echt gedag te kunnen zeggen, iets af te kunnen spreken of nog echt na te kunnen denken. Achterin de burgerauto van de politie moet ik plaatsnemen. De voorstoel is zo ver naar achteren geschoven dat mijn knieën geen ruimte hebben. De agent met kekke bril neemt naast mij plaats.
Ik pak naar mijn mobiele telefoon om mijn werkgever in te lichten. Kekke bril ziet het en waarschuwt dat ik mijn telefoon weg moet doen. Ik sputter tegen, wil mijn baas alleen even zeggen dat ik niet kan komen, mompel iets over één telefoontje waar ik recht op heb en berg mijn telefoon maar weer op.

Ik word opstandig. Kijk opzichtig naar de kilometerteller van de politieauto, die de hele weg met twintig kilometer per uur de maximum snelheidsgrens overschrijdt. In de ochtendspits. Ik erger me eraan. Overal kinderen die naar school fietsen. Hard remmen op een rotonde. Is er reden tot haast? Ik loop heus niet weg hoor!

Op het politiebureau worden mijn persoonlijke bezittingen ingenomen. Ik stuur nog snel een whatsapp richting de baas. Dan lever ik alles wat ik heb in; mijn mobiel en mijn rijbewijs.
“Riem?”
Geen riem.
“Schoenen uit en ga maar tegen de muur staan.”
Ik word gefouilleerd. “Kunt u uw trouwring afdoen?”, vraagt de agent.
Nee, dat kan niet en als het wel kon dan deed ik het niet. Mijn trouwring houd ik aan.
“Dat maken wij wel uit, meneer.”
Sterf.

Even later word ik naar de politiecel gebracht.
Boem.
De eerste keer dat ik een celdeur achter me hoor dichtvallen ligt achter me.

 

<< Isoleercel | De Koepel >>