“Dit is de eerste keer in de bajes?”

Ik word door drie bewaarders en de verpleegkundige naar een nieuwe plek gebracht. We lopen door de grote hal van het Huis van Bewaring. Drie man voor mij. Ik loop verdwaasd er achteraan. In de hoop dat dit de laatste mensen zijn die mij in deze gemoedstoestand zien. Mijn ogen moeten rood doorlopen zijn.

“Ja”, antwoord ik.
Hij zwijgt. Mijn antwoord zal een vermoeden bevestigd hebben.

Even later en een paar hermetisch afgesloten deuren verder, die automatisch openen als de bewaarders op een knop hebben gedrukt, sta ik in een smalle gang. Aan één zijde zitten een rij celdeuren, een stuk of vijf naast elkaar. Die verschrikkelijke deuren. Zware sloten, een luikje waar eten doorheen geschoven kan worden. Ik weet dat de deur snel weer achter me dicht zal slaan. En dat ik dan weer alleen ben.

Er wordt een grijze kunststof kist met zwarte klepdeksels naast mijn voeten gezet. “Doet u hier uw kleding in.”.

In de isoleercel waar ik in ben beland zie ik een met plastic zeil omkleed matras op de grond. Een stapeltje met wat miniem beddengoed en een kunststof kussen. Aan de andere zijde van de cel is een roestvrijstalen toiletpot. Geen kraan of wasbakje. Alleen een toiletpot met vlekken van opgedroogd water, of erger.

Voor de tweede keer binnen vier uur kleed ik mij voor het oog van de bewaarders uit. Vraag of ik mijn boxershort aan mag houden.
“Nee, die moet u ook uittrekken en ook in de box.” De toon is niet onvriendelijk, maar vooral duidelijk. Zo staat het te gebeuren.
Hierna krijg ik een wit jurkje om aan te trekken. Het materiaal is van katoen, stijf gestreken. Het doet denken aan de isoleercellen van het gesticht, zoals ik dat alleen uit boeken ken. Ik trek het over mijn hoofd en voel me nog steeds naakt.

“Als er iets is, kunt u altijd via de intercom om ons vragen. De directeur komt vanavond nog bij u kijken. Prettige avond!”

Prettige avond. Ik haal mijn schouders op. Verleg het matras en leg het onderlaken eroverheen en sla het om het matras heen. Daaroverheen een katoenen ‘deken’, net zo stijf gesteven als mijn isoleerjurk. Het kussen laat ik voor wat het is. Ik kruip op mijn matras en kijk om mij heen. Er hangt een camera boven de deur, die mij vierentwintig uur per dag in de gaten houdt. Snel kruis ik mijn benen, om te voorkomen dat de camera onder mijn jurkje kijkt.

Godsamme, ik ben een man!

Ik kruip onder het katoen en doe mijn ogen dicht. Mijn ogen branden. Ik huil intens verdrietig. Ik voel me alleen. Verlaten, opgeborgen, weggestopt. Gevangen. Geïsoleerd.

 

Opgepakt >>