Het duurt niet lang of we worden naar onze cel gebracht. De bewaarder wijst zonder verder iets te zeggen naar een grote blauwe vuilniszak die in de gang staat. Ik pak het op. Aan de zwaarte en de vorm te zien zal er beddengoed in zitten. Dan loop ik achter hem en de vier andere gedetineerde aan, een lange gang in.

We gaan verschillende deuren door. Op een binnenplaats zie ik tientallen andere gevangenen drentelen, roken en een beetje met elkaar praten. Nog een deur door en we komen in de enorme koepel van de gevangenis. De ruimte in immens, heeft een doorsnede van wel 63 meter en is maar liefst 40 meter hoog. Er zijn niet veel mensen in De Koepel, maar de stemmen en geluiden galmen door de ruimte en weerkaatsen tegen de cellen die aan de ronde buitenmuren zijn aangebouwd. Ik tel 350 cellen, verdeeld over 5 galerijen.
Mijn cel is op de begane grond. Bij de deur hangt de bewaarder een kaartje op met mijn naam en foto. Boven de celdeur hangt een bordje: Cel 34.

De deur zwaait open en ik ga mijn onderkomen in. Links van de deur is een wasbakje met een tuitje voor koud water. Aan het wasmeubeltje zit een toiletpot zonder zitting. Dan een soort van bureauplank, met een paar planken erboven om persoonlijke spullen op te bergen. Aan de andere kant van de deur zit een kledingkast zonder deur en dan staat daar mijn bed. Weer een plastic omtrokken matras en dito kussen. Het bed is vastgenageld aan de vloer.

Ik zet de vuilniszak op het bureauplank en haal de meegekregen spullen eruit. Het is halfje brood, een plastic bakje met wat hagelslag, beetje jam, wat koffie, suiker en koffiemelk en een paar theezakjes. Ook is er een telefoonkaart met de waarde van 1 euro. Mijn dekbed en hoes voor over het matras zitten er ook in.

Ik maak mijn bed op en ga erop liggen. Ik voel mij zo moe, dat ik alleen maar wil slapen. Alle belevenissen hebben een diepe indruk op me gemaakt. De celdeur staat nog open, maar de geluiden komen zo hard binnen dat ik de deur sluit. Even rust.
Dan voel ik de emoties mijn lichaam in stromen. Ik ben enorm gefrustreerd. Vanmorgen wilde ik aan een nieuwe werkdag beginnen en nu zit in opgesloten in een gevangenis. Het voelt enorm onrechtvaardig. Niemand heeft zich vandaag om mij bekommerd. Niemand heeft gevraagd wat er gebeurd is. Er was niemand die belangstelling voor me had. Alle controle is van mij afgenomen.
De paniek slaat nog harder toe als ik me bedenk dat ik vanuit de cel waarschijnlijk niet veel kan doen om de boete te betalen. Tot nu toe heb ik geen enkele mogelijkheid gehad om met de buitenwereld in contact te komen. Nu ik niet kan werken, heb ik met mijn 0-urencontract ook geen inkomen. Zelfs de huur van ons huisje zal een probleem worden. Dat belooft niet veel goeds…

Ook maak ik mij zorgen over het thuisfront. Hoe zal het daar gaan? Er is buiten deze cel niemand die weet waar ik ben. Ik weet ook niet wanneer ik even mag bellen. Trouwens, ik weet helemaal geen telefoonnummer. We hebben allebei alleen een mobiel nummer, en die van mijn vrouw weet ik helemaal niet uit mijn hoofd. Zal ik de mogelijkheid krijgen om even mijn telefoon terug te krijgen om haar nummer te noteren?

Uiteindelijk slaap ik een uur tot ik gewekt word.
“Gaat u mee?”
De werkelijkheid van het hier en nu valt als een baksteen op me neer. Even was ik los geweest van mijn ellendige gevoel.
Het moet maar. “Waar ga ik heen?”
“U gaat naar de verpleegkundige.”

 

<< De Koepel | 96 uur depressief >>